Skip to main content

Ten noorden van Roderwolde ligt een van de meest bijzondere archeologische landschappen van Nederland. In de natte veengebieden van de Kleibosch, de Matsloot-Roderwoldepolder en de Peizer- en Eeldermaden zijn tientallen zogenaamde veenterpen ontdekt: kleine verhogingen in het landschap die eeuwenlang verborgen lagen onder graslanden en veen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze bescheiden heuveltjes waardevolle informatie bevatten over het leven in het noordelijke Drentse veengebied tijdens de Middeleeuwen.

In het gebied ligt ook het gebied “de Kleibosch”, een kletsnat bos is. Als je over de kronkelpaadjes door het bos loopt, zie je overal restanten van oude kleiputten. Ooit werd hier klei gegraven voor kloostermoppen en dakpannen die ter plekke werden gebakken.

Zo vertelt het natte, ogenschijnlijk stille gebied een verhaal van middeleeuwse bewoning op veenterpjes, ambachtelijke kleiwinning en eeuwenlang menselijk gebruik. Onder de modderige bodem blijken nog altijd sporen schuil te gaan van het leven dat hier ooit werd geleefd.

Wat zijn veenterpen? 

Veenterpen zijn kleine kunstmatige of gedeeltelijk natuurlijke verhogingen in het veenlandschap. Anders dan de grote terpen van Friesland en Groningen zijn deze Drentse veenterpen vaak slechts 25 tot 80 centimeter hoog en ongeveer dertig meter in doorsnede. Daardoor zijn ze in het veld nauwelijks zichtbaar. Vaak verraadt alleen een afwijkende begroeiing hun aanwezigheid.  

De ontdekking van een verborgen landschap 

De eerste systematische archeologische onderzoeken naar de veenterpen begonnen al in de twintigste eeuw. Vooral rond de herinrichting van natuurgebied De Onlanden kwam veel nieuwe kennis beschikbaar. Omdat delen van het gebied werden ingericht voor waterberging en natuurontwikkeling, ontstond de noodzaak om de archeologische resten zorgvuldig in kaart te brengen. Daarbij werden tientallen veenterpen onderzocht en gedocumenteerd.  

Uit de opgravingen kwamen aardewerkscherven van kogelpotten, dierlijke botresten en sporen van bewoning tevoorschijn.  Andere vondsten die er werden aangetroffen is een Aalsteker uit de Nieuwe tijd. 

Middeleeuwse boeren in een nat landschap 

De vondsten dateren voornamelijk uit de twaalfde tot en met veertiende eeuw. De bewoners leefden in een gebied dat veel natter was dan tegenwoordig. Akkerbouw was er nauwelijks mogelijk. Archeologen vermoeden daarom dat de bevolking zich vooral bezighield met veeteelt, verbouw van hennep en van gerst. Runderen werden vetgemest en konden in de zomer op de omliggende graslanden grazen, terwijl de iets hogere woonplaatsen bescherming boden tegen wateroverlast. Hennep werd voor de productie van touw gebruikt en het graan voor het brouwen van bier.  

Onderzoek aan aardewerk en voedselresten laat zien dat de bewoners beschikten over gewone huishoudelijke voorwerpen. Daarmee ontstond een beeld van kleine agrarische gemeenschappen die zich hadden aangepast aan de bijzondere omstandigheden van het veenlandschap.  

Een bijzonder hoofdstuk uit de Drentse geschiedenis 

De veenterpjes ten noorden van Roderwolde laten zien hoe mensen zich bijna duizend jaar geleden wisten aan te passen aan een nat en dynamisch landschap. Hoewel de verhogingen bescheiden ogen, vormen ze een belangrijke bron van kennis over bewoning, landbouw en landschapsontwikkeling in Noord-Drenthe. Samen met andere archeologische waarden in de regio, zoals beekdalen, essen en offerveentjes, vertellen zij het verhaal van een gebied waar mens en natuur eeuwenlang nauw met elkaar verbonden waren.