Voor haar master archeologie heeft Anouk Kroezen stagegelopen bij Vondsten on Tour, een project van het Hunebedcentrum. Tijdens deze stage heeft zij onderzoek gedaan naar de archeologie van gemeente Westerveld en hier korte stukken over geschreven voor het Hunebednieuwscafé. Met haar stukken wil Anouk mensen meenemen in de rijke geschiedenis van Westerveld en laten zien hoeveel moois er te ontdekken valt. In deze artikelen vertelt Anouk meer over de opgraving van de Steenkist van Diever.
Wie vandaag door Drenthe wandelt, ziet vooral stille heuvels en oude stenen. Maar achter die rust schuilt het levenswerk van een man die het Nederlandse bodemonderzoek voorgoed veranderde. Van Giffen was geen archeoloog die geduldig wachtte tot het verleden zich liet zien; hij ging het zelf opzoeken, laag voor laag, spoor voor spoor. Waar anderen in zijn tijd nog zochten naar spectaculaire vondsten keek hij naar de kleine details die niemand anders opmerkte. Juist daardoor wist hij het landschap te lezen als een boek dat eeuwenlang gesloten was gebleven.
Albert Egges van Giffen werd geboren op 14 maart 1884 in Noordhorn (Gr.). Tijdens zijn jeugd is hij een aantal keer verhuisd, vanwege zijn vaders werk als predikant. Door het vele verhuizen werd hij op jonge leeftijd al goed bekend met verschillende stukjes Noord-Nederland. Met zijn gymnasium diploma op zak begon hij in 1904 met zijn studie botanie en zoölogie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens zijn studie was hij ook assistent bij het Centraal Bureau voor de kennis van de provincie Groningen, waarbij hij toezicht hield bij terpafgravingen. Het botmateriaal dat werd gevonden bij deze terpafgravingen werden later het onderwerp van zijn promotieonderzoek. In 1912 werd van Giffen conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Hier leerde hij de Duitse opgravingsmethode kennen, waarbij ook aandacht was voor grondsporen. De ambitieuze Van Giffen bleek al gauw zijn leermeesters de baas te zijn.
In 1920 werd het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BAI) van de Rijksuniversiteit Groningen voor hem opgericht, waarvan hij vanaf 1928 ook formeel de directeur was. Hij begon daar aan een lange reeks opgravingen, in zowel het terpen- en wierdengebied, als op de Drentse zandgronden. Aangezien dit zijn eigen opgravingen waren, stond hij volledig vrij om de opgravingsdocumentatie en -methodes te verbeteren. Zo zorgde hij dat de sporen werden ingemeten met coördinaten, de manier waarop we dat nu nog steeds doen. Ook paste hij de kwadrantenmethode toe.
Van Giffen was zich erg bewust dat onze kennis over de prehistorie en vroege geschiedenis altijd voorlopig is. Daarom richtte hij zich op het zorgvuldig verzamelen van feiten en niet zozeer op interpretaties. Ook vond hij het belangrijk dat niet alleen losse feiten verzameld werden. Echter wilde hij ook dat er in een gebied genoeg onderzoek werd gedaan dat er uiteindelijk een ‘cultureel streekdiagram’ (een soort culturele kaart) van een streek kon ontstaan. Van Giffen zag toen al in dat het geen goed idee is om grote conclusies te trekken op basis van te weinig archeologische gegevens.
In Duitsland werd archeologie tijdens het naziregime misbruikt om het nazisme te ondersteunen. Daardoor werd het vak populairder dan ooit, maar op een problematische manier. Nederlandse en Duitse archeologen hadden vóór de oorlog goede contacten, maar omdat hij weinig had met grote theorieën en zich niet met politiek bezighield, bleef hij op afstand. Wel maakte hij gebruik van de mogelijkheid om tijdens de bezetting enkele noodopgravingen uit te voeren, onder andere bij Havelte.
In 1943 werd hij hoogleraar in Groningen. In Amsterdam, waar hij sinds 1941 bijzonder hoogleraar was, werd hij na de oorlog opnieuw benoemd. In 1947 werd hij de eerste directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). En in 1951 lukte het hem om in Amsterdam een Instituut voor Prae- en Protohistorie op te richten. Na de oorlog groeide het aantal archeologen in Nederland snel, vaak door Van Giffen zelf opgeleid. Maar hij had moeite om zijn leidende rol te delen. Na zijn pensionering in 1954 wist hij nog wel benoemd te worden tot Rijksadviseur voor de bescherming van hunebedden en andere archeologische monumenten.
Een van de dorpen waar Van Giffen zijn jeugd heeft doorgebracht is Diever, hier had hij zijn eerste ervaring met archeologie. In 1929 keerde hij terug naar Diever om een grafheuvel op te graven. In deze grafheuvel vond hij een steenkist van 3,6m bij 0,8m. De kist was omgeven door een steenpakking en er bovenop lag steengruis. Interessant is dat bij deze steenkist de dekstenen (stenen die de bovenkant afdekken) ontbraken. Een theorie van Van Giffen is dat dit komt doordat de steenkist destijds is afgedekt met iets organisch, dat door de tijd is vergaan, zoals houten planken. In de steenkist lagen als bijgiften een aantal vuurstenen voorwerpen, trechterbekers en een barnstenen kraal.
De vondsten uit de steenkist van Diever (I) en uit het kindergraf/de offerkuil (Ia). De foto rechts is dezelfde biberon als op de tekening (bron: Bakker 1979 & NAD Nuis)
Naast de steenkist, vond hij nog een aantal andere begravingen in deze grafheuvel. Zo vond hij in een ander graf een biberon. Biberons zijn potjes met een tuitje die gebruikt werden om jonge kinderen te voeden. De biberon en de kleine omvang van het graf zorgden ervoor dat Van Giffen het interpreteerde als een kindergraf, maar het is ook mogelijk dat het een offerkuil was. Het andere graf had een ronde steenpakking. Hiervoor waren stenen gebruikt die eerst tot de steenkist behoorden. Daarnaast bevatte dit graf een pot die door Van Giffen aan de Touwbekercultuur is toegeschreven, in recentere publicaties wordt deze pot echter toegeschreven aan de Klokbekercultuur.
De klokbeker uit de steenkistheuvel (bron: NAD Nuis & Lanting 2008)
In het midden van de heuvel, zo’n 60cm onder het oppervlak, zijn ook nog twee urnen uit de ijzertijd gevonden. In het zand boven de urnen lag een dun laagje houtskool van ongeveer 3 meter breed. Waarschijnlijk heeft deze laag te maken met het moment waarop de urnen zijn bijgezet.
Van Giffen was er heilig van overtuigd dat de steenkist en de grafheuvel gelijktijdig zijn aangelegd en dat de andere begravingen later aan de heuvel zijn toegevoegd. De veldtekeningen laten echter zien dat zowel de steenkist als het graf met de klokbeker er al waren voordat de heuvel werd aangelegd. Op de profieltekeningen (doorsnedes van de grafheuvel) zie je dat het klokbekergraf in dezelfde laag ligt als de steenkist, de lagen boven het klokbekergraf zijn nog intact. Als de heuvel was aangelegd vóór het klokbekergraf, dan waren de lagen boven dat graf ook verstoord geweest. De urnen liggen boven deze intacte laag, deze zijn dus geplaatst na het opwerpen van de heuvel (bron: Lanting 2008)
De vlaktekening (het bovenaanzicht) van de opgraving van de grafheuvel. De letters A, B, C en D geven de profielen aan die op de vorige afbeeldingen te zien zijn. (bron: Lanting 2008)
Deze grafheuvel laat zien dat mensen vaak terugkeerden naar dezelfde plekken om hun doden te begraven, ook in verschillende periodes. De steenkist is namelijk gebouwd door de mensen van de Trechterbekercultuur, die tussen 3400 v.Chr. en 2850 v.Chr. in deze regio woonden. De vondsten uit de steenkist behoren tot ‘horizont 2’ van Trechterbekeraardewerk, wat betekent dat ze vóór 3300 v.Chr. zijn gemaakt. Het graf met de ronde steenpakking bevatte echter een pot van de vijfde (en laatste) fase van de Klokbekercultuur. De Klokbekercultuur was actief aan het einde van het neolithicum en het begin van de bronstijd (soms ook wel de kopertijd genoemd). Deze laatste fase zal rond 1700 v.Chr. zijn geweest. Dat weten we omdat potten uit dezelfde fase met radiokoolstofonderzoek (C14) zijn gedateerd. Ten slotte zijn de urnen uit de ijzertijd bijgezet, omdat de ijzertijd rond 800 v.Chr. begon zullen de urnen dus ongeveer duizend jaar na het klokbekergraf zijn bijgezet.
Wat Van Giffen toen nog niet wist, is dat de urnen niet de laatste bijzetting van deze grafheuvel zouden zijn. Op 31 mei 1973 kwam Albert van Giffen te overlijden, met een leeftijd van 89 jaar. Voor de ceremonie is de kist van Van Giffen op de steenkistheuvel gezet, hij werd begraven op de gemeentelijke begraafplaats aan de Groningerweg in Diever. Naast dat hij onder andere in Diever is opgegroeid, had hij er sinds 1930 namelijk ook nog een zomerhuis.
Van Giffen stond bekend om zijn enorme energie en sterke persoonlijkheid. Hij heeft de Nederlandse en internationale archeologie blijvend beïnvloed. Hij was geen man van inspirerende collegezalen, maar juist in het veld, in gesprek met studenten, boeren en arbeiders, kwam hij tot zijn recht. In zijn publicaties richtte Van Giffen zich zelden tot het grote publiek. Toch was hij door zijn activiteiten aan de archeologische afdelingen van de musea te Groningen en Assen en vooral door zijn vele veldactiviteiten tijdens zijn leven een van de bekendste archeologen van Nederland. De steenkist van Diever laat goed zien hoe hij werkte: nauwkeurig, systematisch en met oog voor detail. Het is een klein voorbeeld van de manier waarop hij overal in Nederland het archeologisch onderzoek naar een hoger niveau tilde. Dat zijn eigen kist na zijn overleiden op de steenkistheuvel werd geplaatst, geeft die plek achteraf een extra gelaagdheid en betekenis.
Bronnenlijst
Bakker, J.A. (1979) The TRB West Group, Studies in the Chronology and Geography of the Makers of Hunebeds and Tiefstich Pottery. Leiden: Sidestone Press.
Brindley, A. L. (1986) The typochronology of TRB West Group pottery. Palaeohistoria, 28, pp. 93-132.
Brongers, J.A. (2013) ‘Giffen, Albert Egges van (1884-1973)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Beschikbaar op: Giffen, Albert Egges van (1884-1973) (Geraadpleegd 20-4-2026).
Giffen, A. E., van (1943) ‘Opgravingen in Drente’, in Poortman, J. (red.) Drente, p. 393-564.
Lanting, J.N. (2008) De NO-Nederlandse/NW-Duitse klokbekergroep: culturele achtergrond, typologie van het aardewerk, datering, verspreiding en graftritueel. Palaeohistoria, 49/50, pp. 11-326.
Mulder, M. & Blok, L. (2009) Giffen, Albert Egges van. Beschikbaar op: Stichting Dodenakkers (Geraadpleegd 22-4-2026).
NAD Nuis (z.d.) Biberon, 1929-VIII.13. Beschikbaar op: NAD Nuis (Geraadpleegd: 26-4-2026)
NAD Nuis (z.d.) Klokbeker, 1929-VIII.23. Beschikbaar op: NAD Nuis (Geraadpleegd: 26-4-2026)






