In de gemeente Westerveld is de tentoonstelling van Vondsten on Tour te zien in De Proef in Frederiksoord. In deze tentoonstelling zal aandacht worden besteed aan een opgraving die hier heeft plaatsgevonden. In de onderstaande tekst neemt Ilse Engels de lezer mee in dit verleden.
Archeologie maakt verleden van Frederiksoord tastbaar
De Koloniën van Weldadigheid spreken nog altijd tot de verbeelding. Ruim tweehonderd jaar geleden werden arme mensen uit de steden naar het Drentse platteland gebracht, met de belofte van een beter bestaan. In Frederiksoord kregen zij een woning, werk en de mogelijkheid om een nieuw leven op te bouwen. Maar hoe zag het dagelijks leven van deze kolonisten er daadwerkelijk uit? Archeologisch onderzoek kan helpen om dat verleden tastbaar te maken.
In 2011 voerde MUG Ingenieursbureau archeologisch onderzoek uit in Frederiksoord, op de plek waar twee nieuwe woningen werden gebouwd. Opvallend genoeg kwamen deze woningen precies te staan op de locaties van twee voormalige kolonistenwoningen: hoeve 24 en hoeve 25. Hoewel van de oorspronkelijke woningen maar weinig bewaard is gebleven, leverde de opgraving interessante sporen en vondsten op die iets vertellen over het leven van de vroegere bewoners.
Een ambitieus plan tegen armoede
De geschiedenis van Frederiksoord begint in 1818. Johannes van den Bosch kwam met een ambitieus plan om de armoede in Nederland te bestrijden. Door arme stedelingen naar landbouwkoloniën op het platteland te brengen, wilde hij hen een zelfstandig bestaan laten opbouwen. In datzelfde jaar werd landgoed Westerbeeksloot verkocht aan de Maatschappij van Weldadigheid. Hier ontstond de eerste landbouwkolonie, gevolgd door een tweede kolonie. Samen werden deze kolonies Frederiksoord genoemd.
Al eind 1818 stonden er 52 kleine boerderijen, ook wel hoeves genoemd, klaar om de eerste kolonisten te ontvangen. De bewoners kregen niet alleen een woning en werk, maar maakten ook gebruik van allerlei sociale voorzieningen. Kinderen moesten naar school, er was een eigen ziekenfonds en later kwamen er onder andere kerken, winkels, scholen en rustoorden. Frederiksoord liep daarmee vooruit op ontwikkelingen die veel later gemeengoed zouden worden in Nederland.
Twee kolonistenwoningen onder de grond
De twee onderzochte woningen stonden op de kadastrale percelen D325 en D326. Op perceel D325 stond hoeve 24 en op perceel D326 hoeve 25. De kolonistenwoningen dateren uit de periode 1819-1929. Rond 1930 werden de woningen grondig gesloopt. Toch bleken er onder de grond nog enkele sporen aanwezig. Zo werden resten gevonden van twee beerputten. Bij hoeve 24 kwamen bovendien kleine delen van de noordelijke en westelijke buitenmuur aan het licht.
Naast de resten van de gebouwen werden ook allerlei voorwerpen gevonden. Het gaat vooral om alledaagse spullen: aardewerk, glas, bouwmateriaal en metaal. Juist deze gewone vondsten kunnen veel vertellen over het dagelijks leven in de kolonie.
Wie woonden er in hoeve 24?
Van hoeve 24 weten we opvallend veel. Uit het archief is bekend welke bewoners gedurende de ruim honderd jaar dat de woning bestond op het adres stonden ingeschreven. Meestal woonde er een gezin, maar daarnaast verbleven er ook andere mensen in de woning. Dat waren bijvoorbeeld jonge kinderen, vermoedelijk wezen, en ouderen die naar de kolonie waren gekomen.
Een mooi voorbeeld is de familie Hopman, de eerste bewoners van hoeve 24. Hendrik Hopman, zijn vrouw Wilhelmina Sleijmer en hun vijf kinderen kwamen uit Amersfoort en woonden van 1819 tot 1838 in de kolonistenwoning. Hendrik werkte als wever en landbouwer. Hij overleed in 1828, op 46-jarige leeftijd. Zijn vrouw Wilhelmina bleef met hun zoon Pieter in hoeve 24 wonen en mocht de kolonie uiteindelijk in 1838 verlaten.
Het gezin Hopman woonde bovendien niet helemaal alleen. In dezelfde periode stonden verschillende andere kolonisten op het adres ingeschreven. Zo woonde er onder andere Alexander Schoneveld uit Den Haag, die in 1823 op vijftienjarige leeftijd naar de kolonie kwam. Ook Neeltje Rensen uit Jisp verbleef er. Zij kwam in 1827, op 21-jarige leeftijd, naar de kolonie. Later woonden ook andere bewoners tijdelijk bij de familie Hopman in.
Een moestuin en een zuurkoolpot
Een van de interessantste ontdekkingen werd gedaan naast hoeve 25. Hier kwamen humeuze greppels aan het licht die in een soort zebrapadpatroon lagen. Waarschijnlijk waren dit resten van een moestuin. Dat past goed bij de inrichting van de erven van kolonistenwoningen, waar ruimte was voor het verbouwen van gewassen.
Een bijzondere vondst maakt dit verhaal nog tastbaarder: een negentiende-eeuwse conserven- of zuurkoolpot. De pot kan zijn gebruikt om groenten te bewaren. Misschien kwamen die groenten wel uit de moestuin naast de woning. Zo kan een eenvoudige aardewerken pot ineens een klein inkijkje geven in het dagelijks leven van de kolonisten.

Foto’s van de opgraving, bron: opgravingsrapport MUG
Gewone voorwerpen, bijzondere verhalen
Het grootste deel van het vondstmateriaal bestaat uit alledaagse spullen. Er werden onder andere verschillende soorten aardewerk, glas, metaal en bouwmateriaal gevonden. Zo kwam er een complete stenen margarinepot uit een van de beerputten. Ook werden fragmenten van serviesgoed en verschillende soorten glas gevonden.
Het zijn geen spectaculaire schatten, maar juist deze gewone voorwerpen zijn waardevol. Ze vertellen iets over wat mensen gebruikten, aten en bewaarden. Samen met de informatie uit het archief kunnen ze een steeds completer beeld geven van het leven in de kolonistenwoningen.
De opgraving in Frederiksoord laat daarmee mooi zien hoe archeologie en archiefonderzoek elkaar kunnen aanvullen. Het archief vertelt ons wie er woonden en welke levens zij leidden. De archeologische vondsten laten vervolgens zien welke sporen deze bewoners in de bodem hebben achtergelaten. Samen brengen ze de mensen achter de geschiedenis van Frederiksoord weer een stukje dichterbij.
De opgegraven magrinepot, bron: opgravingsrapport MUGFF






