Skip to main content

Voor haar master archeologie heeft Anouk Kroezen stagegelopen bij Vondsten on Tour, een project van het Hunebedcentrum. Tijdens deze stage heeft zij onderzoek gedaan naar de archeologie van gemeente Westerveld en hier korte stukken over geschreven voor het Hunebednieuwscafé. Met haar stukken wil Anouk mensen meenemen in de rijke geschiedenis van Westerveld en laten zien hoeveel moois er te ontdekken valt. In deze artikelen vertelt Anouk meer over de opgraving van de spieker van Lhee.

In Lhee ligt een van de archeologische parels van de gemeente Westerveld verborgen. Om er te komen moet je eerst een aantal onverharde paden aflopen, tussen erven en weilanden door. Aan het einde van die paden vind je een vierkante fundering in de grond, die helemaal overgroeid is met gras. Deze fundering is wat er is overgebleven van een bouwwerk die ooit hier heeft gestaan. Het zou een spieker, oftewel een graanopslag, zijn geweest. 

Leden van de Drents Prehistorische Vereniging krijgen uitleg van professor Albert Egges van Giffen over de spieker (bron: Van Vilsteren 2025) 

In 1953 en 1954 voerde het BAI (nu het Groninger Instituut voor Archeologie) een opgravingen uit op deze plek. De reden hiervoor was dat de heer Barkhuizen meerdere keren melding had gemaakt van IJzertijd vondsten op deze plek. De eerste opgraving vond plaats in oktober van 1953, onder leiding van Jan Lanting. Hij focuste zijn opgraving op wat er tussen de vier zijdes van de fundering lag.  In april van 1954 werd het onderzoek voortgezet onder leiding van Albert Meijer en Harm Praamstra. Zij groeven ook op rondom de fundering, hierbij vonden ze allerlei bewoningssporen en grote paalkuilen. 

De vondsten bestaan voor het grootste deel uit aardewerk, maar dit is enkel middeleeuws aardewerk en er zijn geen voorwerpen uit de ijzertijd gevonden. Dat de spieker middeleeuws is, is dus wel duidelijk. Toch is er discussie geweest over de ouderdom. Er is namelijk een aardewerken scherf gevonden die uit de Merovingische periode zou komen. Het is een wandscherf met acht cirkelvormige stempels met kruizen, deze versiering staat ook wel bekend als randkruis of ‘Kreuz in Kreis.’ Deze versiering kwam voor in zowel de vroege Merovingische periode (5e eeuw) als de late Merovingische periode (8e eeuw). Hierdoor werd door Jan Lanting eerst verondersteld dat de keienfundering van een heel vroeg kerkje ging. Deze theorie werd echter al snel losgelaten, toen men erachter kwam dat de oriëntatie van de fundering noord-zuid was, het was voor lange tijd namelijk gebruikelijk om kerken in oost-westelijke richting te bouwen, als religieus symbool. 

Een scherf van een kogelpot met een soortgelijke versiering uit Heveskesklooster (Gr.). Deze dateert uit de Karolingische periode (negende – elfde eeuw) (foto: Joeri Broersma)

Toch liet de Merovingische scherf nog vragen achter. Uit verder onderzoek naar aardewerk bleek dat randkruis versiering niet uitsluitend Merovingisch is, het kwam ook nog enkele eeuwen na de Merovingische periode voor. Een vondst uit Anloo liet zien dat deze versiering ook voorkomt op Pingsdorf aardewerk, wat gemaakt werd vanaf de negende tot en met dertiende eeuw. Deze vondst liet samen met een aantal andere vondsten zien dat deze versiering werd gebruikt tothet begin van de dertiende eeuw. De rest van het aardewerk dat is gevonden bij de opgraving past ook bij een datering van ongeveer 1200, bovendien wordt Lhee voor het eerst schriftelijk genoemd in 1181. De datering van de spieker van Lhee is dus vrijwel zeker rond het jaar 1200. 

De hals van een Pingsdorf pot, deze is gevonden in Groningen (bron: NAD Nuis)

Een aantal scherven aardewerk die gevonden zijn bij de spieker van Lhee, waaronder het scherfje met randkruis versiering (bron: De Leeuw 1984) 

Hoewel we vrijwel zeker weten wat de datering van de fundering is, weten we eigenlijk niet helemaal zeker of het wel écht een spieker is. Zo zou de fundering ook deel uit kunnen gemaakt van een ander gebouw. 

Zoals eerder al genoemd zijn er rondom de keienfundering allerlei grote paalgaten gevonden, deze lijken erg op de paalgaten van grote Drentse boerderijen van rond 1200 (denk aan Gasselte, Peelo en Pesse). Mogelijk was de keienfundering een kelder van een boerderij, of diende het als fundering van een aanbouw. Dat de keienfundering een kelder is, zou goed kunnen, op het gevonden aardewerk zijn namelijk aankoeksels gezien die aanduiden dat het kookpotten waren. Het hebben van een kelder was erg handig in de middeleeuwen, omdat je daar eten koel kon bewaren. Echter had geen van de vergelijkbare boerderijen een kelder, een aanbouw, of keien in de fundering. Wel zijn er kleinere boerderijen bekend die een aanbouw hadden, maar ook deze hadden geen keienfundering. Het lijkt onderhand waarschijnlijker dat het hier niet om een spieker gaat, toch blijkt de naam ‘spieker van Lhee’ hardnekkig. In de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1984 voorspelde Vincent van Vilsteren dat het wel lang zal duren voordat de ‘spieker van Lhee’ is ingeruild voor de ‘kelder van Lhee’. Ruim veertig jaar later blijkt hij daar inderdaad gelijk in te hebben. 

Zo ligt de spieker van Lhee er vandaag de dag bij (foto: Anouk Kroezen, maart 2026)

De ‘spieker’ van Lhee blijft daarmee een plek die nieuwsgierigheid oproept. Wat op het eerste gezicht slechts een met gras begroeide fundering lijkt, blijkt een interessant verhaal bij zich te dragen. De opgravingen hebben veel duidelijk gemaakt, maar minstens zoveel vragen laten staan en dat is precies wat deze plek en de omgeving zo interessant maken.  

 

Bronnenlijst: 

Leeuw, G., de (1984) Een Middeleeuwse keienfundering uit Lhee, gem. Dwingeloo. Nieuwe Drentse Volksalmanak, pp. 143-160. 

NAD Nuis (z.d.) Pingsdorf tuitpot 1900-I.59. Beschikbaar op: NAD Nuis – collectiesite  

Vilsteren, V., van (2025) Verslag lezing en wandeling ledendag Lhee. De Spieker, 46, pp. 11-12.