Skip to main content
Verhalen

12.000 jaar Hoogeveen

In kader van het FARO project “Vondsten on Tour” volgt hieronder een inleidend verhaal over de archeologie van Hoogeveen. In grote lijnen wordt een beeld geschetst over de bewoningsgeschiedenis van Hoogeveen en omliggende dorpen.  Dit artikel is geschreven door archeoloog Fred van den Beemt. 

Wie aan Hoogeveen denkt, zal niet snel aan een geschiedenis van twaalfduizend jaar denken. Hoogeveen staat vooral bekend als een jonge veenkolonie, ontstaan in de zeventiende eeuw toen het uitgestrekte hoogveen systematisch werd ontgonnen. Toch begint de geschiedenis van het gebied veel eerder. Lang voordat de eerste kanalen werden gegraven en turfstekers het veenlandschap binnentrokken, liepen hier al mensen rond. 

De eerste mensen 

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in de gemeente Hoogeveen gaan terug tot de Steentijd. Op verschillende plaatsen zijn vuurstenen werktuigen gevonden: klingen, afslagen en schrabbers. Het zijn vaak kleine voorwerpen, maar archeologisch zijn ze van grote betekenis. Niet alleen vuurstenen werktuigen zijn gevonden.  

Amateurarcheologen vonden een stenen strijdhamerbijl uit het Neolithicum en een bronzen kokerbijl uit de Bronstijd. Ze vertellen ons dat mensen hier al duizenden jaren geleden rondtrokken en het landschap gebruikten. 

Sommige vondsten van vuurstenen voorwerpen worden in verband gebracht met de Hamburgcultuur, een laat-paleolithische cultuur die ongeveer tussen 13.000 en 11.500 v. Chr. wordt geplaatst. Daarmee behoren deze werktuigen tot de oudste aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in de regio van Hoogeveen. Het landschap waarin jagers- en voedselverzamelaars rondtrokken, was een landschap met grasachtige vegetatie met dwergberken en wilgen, natte laagten en hogere zandige ruggen, waar rendieren en paarden rondtrokken en waar jagers met hun families tijdelijk hun kamp opsloegen. 

Bij Fluitenberg en de Kalenberg liggen oude smeltwaterheuvels aan de rand van het dal van het Oude Diep. Zulke hogere, droge plekken waren voor jagers-verzamelaars aantrekkelijke locaties om tijdelijk te verblijven, terwijl de lagere delen water en dieren aantrokken.  

De kano van Pesse 

Het bekendste archeologische object uit de omgeving is zonder twijfel de Kano van Pesse. Deze werd in 1955 gevonden en dateert uit ongeveer 8000 tot 7600 v.Chr. Daarmee behoort de kano tot de oudste bekende boten ter wereld. 

De kano is bijzonder omdat hij laat zien dat de mensen in dit gebied niet alleen over land trokken, maar zich ook over het water konden verplaatsen. Beken, riviertjes, meren en natte gebieden konden worden gebruikt om te vissen, voedsel te verzamelen en zich van de ene plaats naar de andere te verplaatsen. 

Van jagers naar boeren 

In de loop van de prehistorie veranderde het gebruik van het landschap opnieuw. In het Neolithicum, zo’n 3500 v.Chr. verschenen de eerste boeren in het gebied. De vondsten uit deze periode zijn onder meer een strijdhamer/hamerbijl, vuurstenen pijlpunten en schrabbers. Zulke werktuigen kunnen worden verbonden met de jacht, maar passen ook in een samenleving waarin landbouw en veeteelt steeds belangrijker werden. 

Hamerbijl of strijdhamer in 2015 gevonden door Erik Bürmann bij graafwerkzaamheden voor de aanleg van een waterloop om wateroverlast te beperken. Foto: uit Albert Metselaar, 2021.

De aanwezigheid van dergelijke vondsten betekent niet automatisch dat overal sprake was van permanente bewoning. Mensen konden het gebied ook tijdelijk bezoeken. Toch maken de vondsten duidelijk dat de hogere zandgronden met name in Pesse, Fluitenberg, Spaarbankbosch en Stuifzand aantrekkelijke plekken zijn om er te verblijven.  

Grafheuvels en urnenvelden 

Een ander belangrijk hoofdstuk in de archeologische geschiedenis van Hoogeveen wordt gevormd door de grafheuvels en urnenvelden. Rond Hoogeveen zijn verschillende grafmonumenten gevonden die dateren uit de Bronstijd en IJzertijd. Daarnaast zijn resten van urnenvelden en crematiegrafvelden bekend.  

Deze plaatsen vertellen een ander verhaal dan de losse werktuigen uit de Steentijd. Hier gaat het niet alleen om de vraag waar mensen leefden, maar ook om de manier waarop zij met hun doden omgingen. De grafheuvels en urnenvelden laten zien dat bepaalde plaatsen gedurende langere tijd een bijzondere betekenis hadden. 

In de IJzertijd komen daar de zogenaamde brandheuvels bij. Dit zijn plaatsen waar herhaaldelijk crematie- en rituele activiteiten hebben plaatsgevonden. Sommige grafheuvels zijn archeologisch onderzocht en gerestaureerd, zoals bij begraafplaats Zevenberg. Ze vormen daarmee zichtbare herinneringen aan een prehistorisch verleden dat voor het overige grotendeels onder de oppervlakte verborgen ligt. 

Wonen in de Bronstijd en IJzertijd 

De prehistorische bewoners lieten niet alleen hun doden achter. Op verschillende plaatsen zijn opgravingen geweest die duidelijk maken dat er plekken waar een langere periode bewoning is geweest. Aardewerkfragmenten, paalkuilen en andere bodemsporen maken duidelijk dat mensen zich gedurende de IJzertijd in het gebied actief waren.  

Een voorbeeld is de al genoemde plek bij de begraafplaats Zevenberg. Al in 1941 werden bij Fluitenberg grafheuvels uit de IJzertijd opgegraven.  

Algemene Nederlandse Hoogtekaart van de grafheuvels bij Fluitenberg – Zevenberg. Deze grafheuvels zijn in 1941 onderzocht. 

Leave a Reply